Verschil regulier – complementair

Verschil regulier – complementair.

Er bestaan grote verschillen in het denken, onderzoeken en behandelen tussen de reguliere en de complementaire geneeskunde.
Regulier kijken vooral naar de klacht zelf, en schrijven dan een medicijn voor, welk voor dezelfde klacht ook gewoon hetzelfde medicijn is. complementaire genezers echter zoeken naar de ‘oorzaak’ van de klacht, en stellen daar het medicijn op in. Als er bijvoorbeeld een aantal mensen last hebben van hun darmen, zou een gewone arts ze allemaal hetzelfde medicijn geven, waarmee de symptomen onderdrukt worden. Maar een (goede) complementair geneeskundige zou de oorzaak van de klachten eerst onderzoeken, omdat de darmklachten, die qua lichamelijke uiting hetzelfde is voor elk persoon, verschillende oorzaken kunnen hebben die onderling helemaal geen overeenkomsten hebben.

Hoewel de reguliere geneeskunde absoluut onmisbaar is in de hedendaagse maatschappij, en vele levens kan redden, is het toch verstandig om niet meteen te denken dat alles hierbuiten niet goed kan zijn. In de complementaire geneeskunde is men ervan overtuigd dat het lichaam en de geest een eenheid zijn. Dit vormt dan ook het uitgangspunt van de geneeswijzen in het IMC. Het gescheiden houden van lichaam en geest wordt voornamelijk in stand gehouden doordat de geneeskunde zelf ook in verschillende hokjes gestopt wordt. Er zijn voor elk lichaamsdeel specialisten. Maar de specialisten weten niet veel van de andere vakgebieden, en dus is de kennis van en over een patiënt verdeeld deze verschillende specialismen. En als de reguliere geneeskunde al verdeeld is over allerlei hokjes, is het moeilijk om van lichaam en geest wel een eenheid te maken.

Onderzoek absoluut of functioneel.

Reguliere geneeskunde zoekt naar de absolute afwijkingen van wat normaal is. Dit gebeurt bij testen van het bloed (laboratorium), urine, ontlasting, röntgenfoto’s, MRI, enz. Wereldwijd is beschreven wat normaal zou moeten zijn, hoewel ieder land en zelfs ieder ziekenhuis weer iets andere maatstaven hanteert. Dit komt omdat de waarden niet zo absoluut zijn als men zou denken, we zijn niet allemaal gelijk. Desalniettemin is deze vorm van onderzoek uitstekend te gebruiken bij acute aandoeningen, infecties en ontstekingen en ernstige pathologie. De grote afwijkingen komen er zo wel uit en dat is goed, er kan direct en gericht worden ingegrepen.

Complementaire geneeskunde zoekt naar dysfuncties, ofwel naar wat binnen de unieke persoon niet in overstemming met het geheel functioneert. Dat zijn dan ook in het algemeen functionele en geen absolute waarden. Dat gebeurt bij testen van gewrichten, organen, meetwaarden, polsdiagnostiek, etc. De functionele waarden zeggen iets over de functies binnen de betreffende persoon. Bij de een moet bijvoorbeeld de schildklier wat harder werken dan bij de ander; de absolute waarden (lab) zullen verschillen, de functionele waarde toont een normale werking aan.
Dit kan natuurlijk andersom het geval zijn; functionele waarden van bijvoorbeeld een lever kunnen bij het individu, in diens functie afwijken, terwijl de absolute waarden (regulier – laboratorium) normaal zijn.

Uitslag: dysfunctie of pathologie.

Het verschil uit zich ook in het benoemen van de aandoening. Regulier classificeert, dat wil zeggen dat ze de ziekte benoemen, die binnen de gestelde (absolute) criteria vallen. Zo kunnen verschillende mensen de ziekte van Crohn hebben of longontsteking en de therapie is voor hen dezelfde.
• Sommige zaken kunnen benoemd worden als ziekte: als er een aantoonbare afwijking gevonden wordt.
• Andere zaken vallen onder het begrip syndroom: een groep van symptomen die bij elkaar hoort, maar er is geen afwijking en meestal ook geen therapie.
• Nieuw is het begrip SOLK: Somatisch Onverklaarbare Lichamelijke Klachten oftewel, de klachten zijn er wel, maar regulier niet te verklaren.

Complementaire geneeskunde werkt meestal met dysfuncties; gevonden (functionele) afwijkingen, die bij het individu tot de ziekte of het syndroom hebben geleidt. Complementair benoemt en behandeld geen ziekte, maar onderzoekt en behandeld de zieke mens. Zaken die (anatomisch) kapot zijn, zijn dan ook meer het terrein van regulier. Zaken die anders functioneren (dysfunctie) binnen het gehele zijn van de mens, zijn meer het terrein van complementair.
Dysfuncties worden complementair weer benoemt naar wat binnen het vakjargon past, zoals:
• Bewegingsverlies en blokkade bij de osteopathie, manuele therapie;
• Exces of deficiëntie bij de Chinese geneeskunde;
• Verstoring van het evenwicht in dosha, dahtu, guna, etc. bij de Indische geneeskunde;
• Reactie buiten de grenzen van e basisconstitutie bij de mesologie;

Paradigma: reductionistisch – holistisch

Een paradigma is een denkraam, een code waarin wetenschappers met elkaar communiceren. Elke wetenschap berust op een bepaald paradigma, dat beheerst wordt door kennis, mogelijkheden, cultuur en religie. Het paradigma weerspiegelt een aantal vooronderstellingen en culturele waarden en normen, waarbij religie mede bepalend is. Het paradigma heerst in een bepaalde historische periode. Wat in die tijd niet in het paradigma past wordt automatisch afgedaan als niet wetenschappelijk of onzinnig. Paradigmata veranderen echter doordat de mensheid zich ontwikkelt of doordat de cultuur verandert. Zo is Ayurveda een onderdeel van de ‘reguliere’ geneeskunde in India. In het westen past het niet in het huidige paradigma en dus wordt Ayurveda als alternatief en niet wetenschappelijk bestempeld.

Regulier Paradigma

Het paradigma van de huidige medische wetenschap is ontstaan in de 16de eeuw, is vervolgens 200 jaar verder uitgewerkt en heeft in de 19de eeuw vaste grond gekregen. Dit paradigma heeft onder meer vorm gekregen door technische ontwikkelingen en de daarmee samenhangende ontdekkingen over anatomie, fysiologie en pathologie (zie hoofdstuk 2). Het mystieke karakter van de humorale pathologie maakte plaats voor het materiële denken. In de filosofie wordt dit denken gekarakteriseerd door de Franse filosoof Descartes (1596-1650), die vooral beroemd geworden is door zijn uitspraak ‘ik denk, dus ik besta’ (cogito ergo sum). Hiermee bevestigde hij de trend tot individualisme en onafhankelijkheid die zich na de Middeleeuwen steeds sterker deed gelden. Het denkvermogen is nadien een belangrijke basis voor het menselijk bestaan. Daarnaast is door toedoen van Descartes een kloof tussen geest en lichaam ontstaan.
Er zijn verschillende werken in de geschiedenis van de geneeskunde te noemen die als bijdrage aan het reguliere paradigma gekenmerkt kunnen worden, bijvoorbeeld: Vesalius’ werk over de anatomie, Mendels genetica, Harveys publicatie over de bloedsomloop en voor de pathologie het werk van Virchow. Deze auteurs hebben ‘oorspronkelijk werk’ geleverd, de inzichten en ideeën hebben een nieuw licht op het vakgebied geworpen, ook al zijn er in het verleden veel meer inzichten verkondigd en aanvaard in het reguliere paradigma. In het huidige medisch-wetenschappelijke denken wordt niet ontkend dat de mens een ziel of een geest bezit, maar men laat dit concept overwegend buiten beschouwing. Zelfs de psychiatrie en de psychosomatische geneeskunde benaderen de ‘geestesziek­ ten’ via materiële weg, onder meer met medicijnen en chirurgie.

De werking van het lichaam wordt in de moderne geneeskunde beschreven als iets mechanisch. Het hart is een pomp, de nier is een filter en de longen zijn een gas-uitwisselingsplaats. Vanuit de mechanische benadering heeft de medische wetenschap zich verder ontwikkeld in de richting van de biochemie. Het mechanische denken brengt schijnbaar complexe ziekten of klachten terug naar zaken die men kan bevatten, meten en in kaart brengen. Automatisch schakelt men de invloed van de persoonlijkheid uit, althans in het denken en dus in onderzoek en behandeling. Een veelgehoorde kritiek op de huidige reguliere geneeskunde is dan ook de onpersoonlijke kant: de patiënt wordt een nummer, gereduceerd tot een geval en in bepaalde situaties zelfs een ‘ziekte’ genoemd.

Complementair paradigma

De meeste complementaire geneeswijzen zijn gebaseerd op het ‘oude’ paradigma (Hippocrates) en/of het oosterse paradigma. Zoals de geschiedenis duidelijk laat zien, heerste vroeger over vrijwel de gehele wereld een min of meer eensluidend paradigma, waarin de kloof tussen lichaam en geest nog niet bestond. Een van de kenmerken van dit paradigma is de ondeelbaarheid van het menselijk functioneren. Vrijwel elke complementaire geneeswijze hanteert het holisme, de mens functioneert als eenheid, als een van de uitgangspunten. Hierdoor plaatsen de complementaire geneeswijzen zich echter buiten het regulier-wetenschappelijke kader. Alternatieve geneeswijzen zijn alternatief omdat ze een ander paradigma hanteren dan de reguliere geneeskunde.

Bij het ontstaan van het reguliere paradigma speelt de lijkschouwing een belangrijke rol. In zekere zin geldt de afwijzing van de geneeskunde in de Middeleeuwen (zie para­ graaf 3.4.2) ten aanzien van de ontleedkunde nog altijd voor het paradigma van de complementaire geneeskunde. De informatie die uit een lijk komt is dood, statisch en staat buiten het levensproces. De complementaire geneeskunde gaat juist meer uit van de dynamische kwaliteiten van het leven. De beschrijvingen van de pathologie in de zin van anatomisch-pathologische substraten doen veel af aan de waarde die de complementaire geneeskunde hecht aan het open mensbeeld en levensbeeld. Een dilemma voor complementaire geneeskunde wordt gevormd door de ‘cartesiaanse kloof ‘ tussen lichaam en geest. De filosofie van Descartes is, in de tijd gezien, een logische samenloop met de ontdekking van de anatomie (onder meer Vesalius) en de fysiologie (onder meer Harvey). Descartes was zich ervan bewust dat de eenheid van lichaam en geest in de humorale pathologie uit twee delen bestond en dat het niet vanzelf sprak dat de twee componenten met elkaar in relatie stonden. De ene component noemde hij de res extensa (het harde, vaste, substantiële), de andere component hij res cogitans (het bewustzijn). De cartesiaanse kloof is nog altijd het fundamentele probleem van de moderne mens in gezondheid en ziekte. Ook voor vele beoefenaren van de complementaire geneeskunde is de impliciete eenheid van lichaam en geest, bij voorbeeld in de TCM, een moeilijk te bevatten thema. Veel therapeuten hanteren de psyche of het bewustzijn maar al te graag als oorzakelijk probleem bij het ontstaan van ziekte.

Het ‘andere paradigma’ van de complementaire geneeskunde gaat uit van:
1. de functionele pathologie (pathofysiologie) in plaats van de cellulaire pathologie (anatomo-pathologisch substraat) van het reguliere paradigma;
2. een holistisch mensbeeld, waarin de cartesiaanse kloof tussen lichaam en geest niet toepasbaar is;
3. een dynamisch levensbeeld, tegenover het meer begripsmatige, reductionistische en statisch georiënteerde paradigma van de reguliere geneeskunde.

Maak een Afspraak